• work
  • text
  • info

 

LEXICON
Valerie Traan Gallery, Antwerp
10.01.2025 – 12.02.2025


Lezer.

Midden in deze tentoonstelling van Paul Casaer staat een werk dat luistert naar de naam Le nœud de Balthus – de knoop van Balthus. Niet iedereen weet dat Balthus met een zelf bedachte dasknoop een plaats in de modegeschiedenis verdiende en niet iedereen kent de reputatie van Balthus als kunstenaar. Dat is niet erg. Wat hier telt is de knoop.

De knoop van Balthus maakt de das kort en dik. Om dat te bereiken legde Balthus maar liefst vier knopen over elkaar. Het resultaat is op het clowneske af: deze das laat zich dragen met zelfvertrouwen. Met persoonlijkheid. De knoop van Balthus is als een bas-reliëf op het lichaam: een statement van de drager die er ook de maker van is. Het statement van Paul Casaer is dit bas-reliëf waarin het lichaam quasi volledig verdwijnt: geen hoofd, geen romp, geen armen en benen. Alleen dat stukje nek van de paspop. Dan wordt die knoop een strop – de strop van Balthus.

Paul Casaer maakt zijn bas-reliëf in hout, zwart geschilderd, net zoals de andere werken in deze tentoonstelling die luistert naar de naam Lexicon. Een lexicon, dat is een woordenlijst. Elk werk in dit lexicon is drager van een betekenis, zoals een woord. Al die werken samen vertellen een verhaal (vroeg of laat).

In de zijkamer staat een werk van metaal, ook zwart geschilderd. Daar is de titel Studiolo. Dat is een oud Italiaans woord voor een studeerkamer. Je kan de studiolo al zien vanop de straat, net zoals de keuken – het laboratorium van de kok – in het restaurant wat verderop. Je kan het ook terugvinden in de intarsia – het inlegwerk in hout – van Francesco di Giorgio of in de schilderijen van Vittore Carpaccio en Antonello da Messina met telkens een heilige omringd door zijn werktuigen: een opengeslagen boek, een passer, een kandelaar. In de Studiolo van Paul Casaer zijn alle objecten gemaakt van standaard metalen platen. Hij gebruikt ze als bestaande letters in een systeem. Dat is helemaal anders met de beelden in zijn Lexicon, die allemaal door de kunstenaar uit hout werden gesneden. Als die nieuwe beelden woorden vormen in een lexicon, dan zijn de instrumenten en voorwerpen in de werkkamer de grammatica. Als het bas-reliëf het beeld is, dan is de studiolo de achterkamer. De sleutel tot het werk zit achter de muur. De studiolo en het lexicon: de achter- en de voorkant; het harde metaal en het zachte hout; het rationele en het sensuele; het werk en het resultaat.

Lexicon verzamelt gefragmenteerde lichamen, op zoek naar een context: handen, een voet, benen, een oor, vlechten. Een rokje: wat je vindt rond alweer een ander deel van het lichaam – als een context. Elk object is er een zonder hoofd, zonder geslacht, zonder ogen, los van het lichaam. Elk stuk in Lexicon leidt naar een ander stuk. Dit zijn geen willekeurig gekozen lichaamsdelen. Een gewillig oog kan ze met niet te veel moeite opnieuw verbinden met Balthus, de schilder van het intieme, het verlangen, de unheimliche spanning. Het gebeuren zit in het onderhuidse. In het niet getoonde. In de suggestie – het deel van het lichaam dat we niet zien.

Van de knoop naar de huid. Van het geklede, de afwerking, naar het ontklede, waar de outfit begint. Van wat op de kleding zit, naar wat eronder zit. Van het robuuste naar het kwetsbare lichaam. Het ene bestaat niet zonder het andere.

Soms komt de schaal van de beelden overeen met de werkelijkheid: de knoop, de benen, de sourdines, de zeep. Punt. Soms zijn de beelden iets te groot: het rokje, de laars. Uitroepteken. Soms veel te groot: de handen, het oor, de vlecht, de pinda’s. Vraagteken.

Naast de knoop van Balthus leidt een ander werk naar de exotische wereld van nog een foute kunstenaarsvriend van Paul Casaer: Paul Gauguin. Dat werk heet Donkey Milk. In de (zwarte, houten, bas-reliëf) bladeren waarin de gewillige kijker de flora in de Tahitiaanse periode van de Franse meester herkent, zit een naar voor stekende vierdubbele houder voor witte ezelinnenmelkzeep (ezelinnenmelk: Cleopatra baadde erin om te verjongen). Die vier boven elkaar geplaatste stukken zeep lijken even grotesk als die vierdubbele dasknoop ernaast.

Helemaal boven lijkt de tentoonstelling uit te monden in een gesmoord orgelpunt. Vier sourdines spelen verder met thema’s uit het werk: het meisjesachtige, het familiale, het geïsoleerde, het verwoorde en (de vijfde sourdine, apart in het bureau) het gevoel.

Dit zijn de beelden en kunstenaars die Paul Casaer achtervolgen. Fetisjbeelden. Dat halfglanzende oppervlak (van de das, dat rokje, die laarzen) lijkt wel van opgepoetst leer. Het materiaal is drager van een stille kracht die ook terugkeert in het net niet zwarte zwart van dit suggestieve lexicon. Het doet denken aan ouder werk van Casaer. Aan werk als The Picnic bijvoorbeeld, goed twintig jaar geleden, met die onschuldige witte kapjes op de hoofden van de jonge exotische meisjes met korte witte rokjes, korte rode bloesjes, lange witte kousen onder wapperend witte jarretelles. Opnieuw komt dit werk uit bij de controverse, zonder controversieel te zijn. Opnieuw past dit werk in traditionele genres zonder traditioneel te zijn. De verleidelijke vrijheid van de kindertijd komt als een melancholisch verlangen, als een zoeken naar verloren geluk.

Lezer. Streel met uw oog over deze houten beelden. Leg uw zintuigen in de hand van de kunstenaar en denk aan het geduldige zagen, frezen, schuren van deze beelden. Bedenk hoe de techniek van het bas-reliëf met haar geringe diepte vraagt om visuele aanpassingen die het beeld opnieuw realistisch maken. Het zijn de bewegingen van zijn hand en zijn instrumenten die mee de rondingen en contouren bepalen. Denk aan de band tussen het werk en de kunstenaar bij het bedenken, realiseren en exposeren van deze beelden. Voel de nuances in de verflaag als monnikenwerk met borstel en schuurpapier.

Lezer. Kom en neem dit werk met dezelfde onbeschaamd brutale durf, nieuwsgierig en overmoedig, en met dezelfde zin voor het wonderlijke. Bekijk het als een raadsel, recht voor uw raap. Kijk zoals Balthus, zoals Gauguin, zoals Casaer – zoals een volgroeid kind.

Wees uzelf.

Pieter Van Bogaert, 2026